Humor in kinderboeken, haha

Een kinderboek zonder humor? Is dat niet net zoiets als een tosti zonder kaas? Het kán wel, maar het ís het net niet. Voeg dus een vleugje humor aan je boek toe. Hoe je dat doet, hangt sterk af van je doelgroep. Schrijf je voor de allerkleinsten? Of voor oudere kinderen? Met onderbroekenlol (hihi poep, haha billen) kan je bij een kleuter prima aankomen. Maar een tiener zal verveeld zuchten bij zo’n afgezaagde grap. Hoe gebruik je humor in kinderboeken? Wat vinden kinderen grappig om te lezen? En hoe voorkom je dat je boek te flauw wordt? Lees verder als je benieuwd bent naar de antwoorden op deze vragen!

Humor gebruiken: hoe dan?

Wim Daniëls schrijft in zijn boek ‘Kinderboeken schrijven’ dat het gebruik van humor in kinderboeken relatief makkelijk is “omdat kinderen eenduidiger op humor reageren dan volwassenen”. Volwassenen hebben een verschillend gevoel voor humor: waar de een krom ligt om een grap die je maakt, vindt de ander er niets aan. Bij kinderen speelt dit minder. Maar dit betekent nog niet dat elke grap bij iedereen werkt. 

Door te weten welke vormen van humor er bestaan, kun je de vorm(en) kiezen die het beste past (passen) bij jouw verhaal en jouw doelgroep. Wim Daniëls onderscheidt de volgende vormen van humor:

Woord- en naamgrapjes

Deze kunnen voor zowel heel jonge als oudere lezers grappig zijn, maar het ‘niveau’ van de grap moet wel afgestemd zijn op je doelgroep. Zo kan je ‘kapper Knip’ best in een verhaal voor de allerkleinsten gebruiken. Maar voor oudere lezers moet je met wat beters komen. Enkele roddelbladen in Duckstad heten bijvoorbeeld ‘Weekeend’, ‘Privaat’ en ‘Sorry’. Dit is een voorbeeld van een grap die de jongste lezers misschien niet eens opmerken, maar oudere lezers zullen de link met de ‘echte’ roddelbladen Weekend, Privé en Story wel leggen.

Roomtaartenhumor

Dit is humor waarbij iets fysieks (een actie) voor gelach zorgt. Uitglijden over een bananenschil, bijvoorbeeld. Dit soort grappen vallen vooral bij jongere lezers in de smaak.

Opeens stopte oma met lopen. ‘Oh, kijk eens!’ riep ze enthousiast. Olaf volgde haar blik en zag het ook: midden op de stoep lag een muntje. Oma boog zich voorover. Door haar stijve rug kostte het haar zichtbaar moeite om diep genoeg te bukken. Net toen ze het muntje bijna had, klonk er een luide PFFFFRT van onder haar rok. Olaf’s ogen werden groot van verbazing.

Ironie

Het tegenovergestelde zeggen van wat je eigenlijk bedoelt, kan heel grappig zijn.  Kinderen tot een jaar of 10 hebben nog niet altijd door wanneer iets ironisch bedoeld is. Maar oudere kinderen kunnen deze vorm van humor wel waarderen. 

Piet had werkelijk een heel boeiend leven. Elke dag stond hij stipt om 7 uur op en las zijn krant. Zodra hij daarmee klaar was, stortte hij zich op zijn kruiswoordpuzzels. Hiermee ging hij door tot het tijd was om weer zijn bed in te duiken.

Doorbreken van taboes

Lezen over onderwerpen waar je je een beetje voor schaamt, kan stiekem heel leuk zijn. 

‘De lucht hier is niet te harden’, mopperde de meester. Demonstratief zette hij een wasknijper op zijn neus. Iedereen wist wat hij bedoelde. Diederick was vast vergeten schone sokken aan te trekken vanochtend. Het zou niemand verbazen als hij al weken hetzelfde paar droeg. En Arjun? Die had gisteravond waarschijnlijk weer 10 borden scherpe curry van z’n oma gegeten.

Misverstanden

Door situaties waarin karakters elkaar verkeerd begrijpen, ontstaat verwarring. Dat kan heel spannend zijn, maar ook lachwekkend. Bijvoorbeeld: een agent zit achter de verkeerde boef aan omdat zijn kleurenblinde collega had gezegd dat de boef een rode trui aan had, in plaats van een blauwe. 

Vergelijkingen

Auteur Lisette Jonkman schenkt in haar boek ‘Schrijven kreng’ ook de nodige aandacht aan ‘vergelijkingen‘ als manier om humor in je verhaal te verwerken. Een gekke vergelijking of een metafoor (vorm van beeldspraak) kan onverwachts een absurd beeld opwekken en dat kan heel leuk uitpakken. Als voorbeeld geeft Lisette Jonkman een citaat van Hermelien (uit de Harry Potter-boeken) die uitvalt tegen Ron. Het is een citaat dat bij mij ook in de smaak is gevallen, want het zit al jaren in m’n hoofd: 

Omdat jij nou toevallig de emotionele reikwijdte van een theelepeltje hebt, hoeft dat niet voor iedereen te gelden.

Moet het hele boek grappig zijn?

Kinderen houden van lachen. Om deze reden zou ieder kinderboek dus in meer of mindere mate humor moeten bevatten. Zelfs wanneer je een dieper verhaal schrijft. Wim Daniëls schrijft hierover: “Ook in serieuze boeken waarin moeilijke of zware thema’s aan bod komen, moet humor zitten. Die thema’s zijn op zich natuurlijk niet om te lachen, maar met humor kun je ze voor kinderen wel verteerbaarder maken”. 

Moet ieder kinderboek dan maar volgepropt worden met grappen en grollen? Nee. Net zoals je te veel mayonaise over je frietjes kan gooien, kan je ook te veel moppen in je boek stoppen. Een schrijver die te hard z’n best doet om grappig te zijn, is dit waarschijnlijk niet. Net zoals met het toepassen van ‘show, don’t tell’ of gebruiken van herhalingen, moet je ook humor niet overdoseren. Je lezer raakt dan ‘immuun’ voor de grappen. 

Kortom

Humor hoort thuis in kinderboeken. Zelfs in serieuze boeken, omdat het zware thema’s draaglijker maakt. Humor kun je op verschillende manieren toevoegen. Denk bijvoorbeeld aan woordspelingen, ironie of het beschrijven van misverstanden. Maar er geldt wel dat te veel grappen in je boek averechts werken.