Verschil in schrijven voor jonge en oudere kinderen

Van de rijke fantasie van jonge kinderen tot de meer kritische benadering van oudere lezers: elke leeftijdsgroep vraagt om iets anders in verhalen. Er bestaan dus praktische verschillen tussen het schrijven voor jongere en voor oudere kinderen. Hoe zorg je er als schrijver voor dat je verhaal in de smaak valt bij de kinderen die het gaan lezen?  

Wat is een doelgroep?

Ieder boek heeft een zogenoemde doelgroep: de groep kinderen voor wie het geschreven is. Schrijf jij voor de allerkleinsten, voor de wat oudere kinderen of voor tieners? Het maakt nogal een verschil. En wanneer je voor de jongste kinderen kiest: schrijf je een boek dat voorgelezen kan worden, of schrijf je een boek dat kinderen zelf kunnen lezen? In dit laatste geval doe je er goed aan om je te verdiepen in de AVI-niveaus van boeken.

Je verhaal en schrijfstijl stem je af op je doelgroep. Voor de allerjongsten kies je daarom bijvoorbeeld voor korte zinnen die toch afwisselend zijn van opbouw. Ook de woorden die je gebruikt pas je aan aan de groep waarvoor je schrijft. Gebruik bijvoorbeeld geen woorden die niet tot de woordenschat van je doelgroep behoren. De volgende zin snapt een jong kind:

De mevrouw hield haar glas vast en toen… boem! Het glas viel kapot op de grond.

Maar deze zin begrijpt zelfs een ouder kind niet (en de meeste volwassenen misschien ook niet eens):

Met een ongelukkige handbeweging liet de dame het fragiele kristal aan zijn lot over, dat met een knal tegen de vloer zijn einde vond.

Volgens Digibron is de manier waarop je taal hanteert ook belangrijk. Kleuters zijn bijvoorbeeld dol op herhalingen. Maar ook het spelen met klanken valt bij kinderen in de smaak. Denk hierbij aan alliteraties (‘Piet Piraat’) en essonanties (ook wel klinkerrijm genoemd: ‘Poes Minoes’).

Een voorbeeld verhaal

Hieronder staat een kort verhaaltje over Julia. De tekst heb ik geschreven voor jonge kinderen. 

Julia zag een meneer met een grote hond. De hond was groot, het leek wel een olifant! De meneer probeerde de hond mee te trekken, maar de hond wilde niet. Hij bleef gewoon zitten, met zijn dikke billen op de stoep. De meneer werd boos en trok hard aan de riem. Maar de hond bleef nog steeds zitten. Julia moest lachen, het zag er grappig uit. Maar toen deed de man iets heel gemeens. Hij gaf de hond een harde trap met zijn schoen! De hond piepte. Julia begon te huilen en rende naar mama. “Die meneer is niet lief,” snikte ze en ze wees naar de meneer.

Voor een ouder kind zou ik de tekst heel anders schrijven. Bijvoorbeeld zo:

Julia bekeek een man met een grote hond. Ze schatte in dat de hond nog groter was dan die van de buren. De man probeerde de hond mee te trekken, maar de hond weigerde. Hij bleef stoïcijns zitten, met zijn stevige kont op de stoep. De man werd steeds bozer. Hij trok met kracht aan de riem, maar de hond bleef onverzettelijk. Julia glimlachte, het tafereel zag er komisch uit. Maar haar lach verdween toen de man plotseling zijn been uithaalde. Met een harde trap raakte hij de hond. De hond jankte van de pijn. Geschokt en vol afschuw rende Julia naar de man toe. “Laat die hond met rust’, riep ze tegen hem.

Verschillen tussen schrijven voor jonge en oudere kinderen

De tweede tekst verschilt van de eerste. Terwijl de essentie van het verhaal eigenlijk hetzelfde is gebleven. Wat zijn de verschillen?

  • De reactie van de ‘oudere’ Julia is anders dan die van de ‘jonge’ Julia. Waar de jonge Julia huilend naar haar moeder rent, kiest de oudere Julia ervoor om op de man af te rennen en hem op z’n gedrag aan te spreken. Door het verschil in reactie kunnen beide verhalen overigens een hele andere wending nemen. De jonge Julia ziet de man waarschijnlijk nooit meer terug (omdat haar moeder haar als troost meeneemt naar de speeltuin, bijvoorbeeld), terwijl de oude Julia misschien in een flinke woordenwisseling met de man verzeild raakt.
  • Ik heb andere woorden gebruikt. ‘De meneer’ heb ik vervangen door ‘de man’. Ik vind het namelijk meer bij een klein kind passen om het over ‘die meneer’ te hebben. ‘De man’ klinkt volwassener en past beter bij de Julia uit het tweede voorbeeld. Zo kan ik me ook beter voorstellen dat een klein kindje het over ‘billen’ heeft, terwijl een ouder iemand het woord ‘kont’ zou kunnen gebruiken. 
  • Een ander belangrijk verschil is de beleving van Julia. In het eerste verhaal schrijf ik dat ‘de hond zo groot is als een olifant’. Dat is een kinderlijke vergelijking natuurlijk, die niet realistisch is. In de tweede tekst schrijf ik daarom dat ‘de hond waarschijnlijk nog groter is dan die van de buren’. Dat is een vergelijking die wel realistisch is en dus beter past bij een ouder karakter. 

Kortom

Een verhaal voor kleuters zit anders in elkaar en is anders geschreven dan een verhaal voor pubers. Als schrijver pas je je verhaallijn en schrijfstijl aan je doelgroep aan. Zo heb je de grootste kans dat je verhaal in de smaak valt bij degenen voor wie je schrijft.